Hagen

Hagen zorgen voor scheidingen tussen tuin en straat, met de buren en tussen de ‘perkjes’ in de tuin. Zo veelzijdig als hun toepassingen, zijn ook de keuzemogelijkheden. Deze tips geven u een idee van de verschillende haagplanten- en vormen.

Klassieke haagplanten als beuk, liguster, taxus en andere coniferen worden nog steeds veel toegepast. Ze zijn sterk groeien gemakkelijk uit tot een dichte afscheiding en zijn goed in vorm te snoeien. Naast deze typische haagstruiken zijn er ook andere mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan een bloeiende haag van struikrozen of forsythia.
Een belangrijke afweging bij de keuze van uw haag is de grootte. In kleine tuinen moet een haag compact groeien en niet te opdringerig zijn. Bedenk ook dat forse hagen veel water en voeding aan de grond onttrekken. Voor een groenblijvende haag komen, naast de verschillende coniferen, ondermeer buxus, hulst en laurierkers in aanmerking. Liguster blijft in niet te strenge winters groen, maar kan zijn blad verliezen bij aanhoudende strenge vorst. Een beukenhaag houdt zijn bruine blad vast tot in het voorjaar, als de nieuwe groene blaadjes verschijnen.

Voor een strakke haag, spant u eerst een lijn tussen twee palen. Langs deze lijn graaft u een geul van ongeveer 60 cm breed en voldoende diepte, die u gedeeltelijk opvult met een mengsel van aarde en potgrond. Leg nu de haagplanten uit langs de lijn, op de aanbevolen tussenafstand (afhankelijk van de soort en grootte plant). Trap de aarde aan en geef overvloedig water. In het voorjaar, als het groeiseizoen begint, geeft u uw haag een goede bemesting.

Wildgroeiende hagen kunt u hun gang laten gaan en alleen intomen wanneer ze te breed of te hoog worden. De meer formele hagen zult u vaker moeten knippen. Hiervoor kunt u zowel een gewone als een elektrische heggenschaar gebruiken, zolang die maar goed scherp is.